Bijna 13.000 coronadoden tot 1 november 2020

Vanaf maart tot en met oktober 2020 stierven in ons land 12.872 mensen aan COVID-19, de ziekte veroorzaakt door het nieuwe coronavirus.

10.372 Mensen overleden aan vastgestelde COVID-19 en 2.500 aan vermoedelijke COVID-19.

Van alle coronadoden ontving bijna 60 procent zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit blijkt uit voorlopige cijfers over doodsoorzaken die het CBS vandaag publiceert.

Het CBS publiceert sinds 3 april 2020 wekelijks over het aantal overledenen. Die aantallen zijn gebaseerd op sterfteberichten die het CBS dagelijks binnenkrijgt van gemeenten. Die sterfteberichten bevatten geen informatie over de doodsoorzaken. De cijfers over doodsoorzaken zijn gebaseerd op de doodsoorzaakverklaringen van een arts. Het CBS ontvangt deze verklaringen via de gemeente waar iemand is overleden. De cijfers die vandaag worden gepresenteerd zijn gebaseerd op 97,8 procent van alle doodsoorzakenverklaringen tot en met week 44 (26 oktober tot en met 1 november 2020). 

In de eerste golf van de pandemie werd de oversterfte volledig veroorzaakt door sterfte aan het coronavirus. In de eerste zes weken van de tweede golf, week 39 tot en met week 44 (21 september tot en met 1 november) overleden ruim 2.300 mensen meer dan verwacht in deze periode. In dezelfde periode stierven 2.482 mensen aan het nieuwe coronavirus. Ook in het begin van de tweede golf werd de oversterfte dus volledig veroorzaakt door de sterfte aan COVID-19.

Ruim 7.500 van de 12.872 mensen, die tot en met oktober stierven aan vastgestelde of vermoedelijke COVID-19, ontvingen langdurige zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), zoals zorg in een verpleeghuis. Net als in het eerste halfjaar van 2020 was circa de helft van de mannen die van juli tot en met oktober aan COVID-19 overleden Wlz-zorggebruiker. Van de vrouwen die aan COVID-19 overleden was dit 70 procent.

Tijdens de eerste golf piekte de sterfte onder Wlz-zorggebruikers in week 15 met 2.409 overledenen. In die week werd de helft van de sterfte in deze groep veroorzaakt door het coronavirus. In week 33, tijdens de hittegolf, was de sterfte onder Wlz-zorggebruikers opnieuw hoog (1.311 mensen). Deze piek kwam door de hitte; die week overleed 3 procent van de Wlz-zorggebruikers aan COVID-19. In week 44 en de weken 52-53 van 2020 zijn twee pieken in de sterfte van Wlz-zorggebruikers te zien. Tijdens de piek van week 44 stierf 1 op de 3 overleden Wlz-zorggebruikers aan COVID-19; in de overige bevolking werd in die week 1 op de 6 overlijdens door het virus veroorzaakt. De doodsoorzaakgegevens over de laatste piek in 2020 volgen later wanneer meer gegevens beschikbaar zijn.

In de eerste zes weken van de tweede coronagolf (week 39 tot en met week 44) overleden 31 procent meer mannen aan COVID-19 dan vrouwen (1.409 mannen en 1.073 vrouwen). Dat is een groter verschil dan tijdens de eerste golf (maart tot en met juni; toen overleden 13 procent meer mannen dan vrouwen aan COVID-19 (5.380 mannen en 4.774 vrouwen).
Relatief gezien, per duizend inwoners, overleden in alle leeftijdsgroepen meer mannen dan vrouwen aan COVID-19. In het begin van de tweede golf stierven onder 60- tot 90-jarigen ongeveer twee keer zoveel mannen als vrouwen. De hoogste sterfte per duizend inwoners was in de leeftijdsgroep van 90 jaar en ouder.

In de eerste zes weken van de tweede golf (week 39 tot en met week 44) was 67 procent van alle overledenen aan COVID-19 80 jaar of ouder (1,659 mensen). Bijna een derde (31 procent) van alle coronadoden viel in de leeftijdsgroep van 60 tot 80 jaar (766 mensen) en 2 procent was jonger dan 60 jaar (57 mensen). Deze leeftijdsverdeling is vergelijkbaar met die tijdens de eerste golf.

De gemiddelde leeftijd van mannen die in de eerste zes weken van de tweede golf aan COVID-19 overleden bedroeg 80,8 jaar; bij vrouwen was dat 84,2 jaar. Dit is vergelijkbaar met de eerste golf.

Uit de voorlopige cijfers blijkt dat er van maart tot en met oktober 2020 evenveel mensen overleden aan nieuwvormingen (waaronder kanker) als in dezelfde periode in 2019. Wel overleden er iets minder mensen aan hart- en vaatziekten (-3 procent) en aan een psychische stoornis of ziekte van het zenuwstelsel, zoals dementie (-6 procent). Het aantal mensen dat overleed aan ziekten van ademhalingsorganen was 16 procent lager vergeleken met de periode van maart tot en met oktober 2019.

Het aantal overledenen door niet-natuurlijke doodsoorzaken (ongevallen, zelfdodingen, moord en doodslag) nam in de maanden maart tot en met oktober toe, met 5 procent ten opzichte van 2019. Het aantal overledenen door wegverkeersongevallen, zelfdodingen en moord en doodslag is in de periode van maart tot en met oktober 2020 vergelijkbaar met dezelfde periode in 2019. De toename van de sterfte aan niet-natuurlijke doodsoorzaken wordt veroorzaakt doordat meer mensen overleden door een accidentele val (onopzettelijk vallen, struikelen of uitglijden).

In de maanden maart tot en met oktober van 2020 stierven 13 procent meer mensen door een val dan in dezelfde periode het jaar ervoor. Het aantal doden door een accidentele val neemt al een aantal jaren toe: in de periode van 2015-2019 steeg het met 35 procent, gemiddeld zo’n 9 procent per jaar. Deze stijging is niet alleen toe te schrijven aan de vergrijzende bevolking. Ook na correctie voor de veranderende leeftijdsopbouw van de bevolking is een stijging te zien.

Op basis van GGD-meldingen rapporteerde het RIVM in de eerste zes weken van de tweede golf (week 39 tot en met 44, 21 september tot en met 1 november 2020) 1.437 mensen die overleden aan COVID-19. Het CBS registreerde in dezelfde periode op basis van doodsoorzaakverklaringen 2.335 mensen die overleden aan vastgestelde COVID-19. Tevens zijn er 147 overledenen met vermoedelijke COVID-19 als de onderliggende doodsoorzaak.

Dat de cijfers van het CBS en het RIVM verschillen heeft meerdere mogelijke oorzaken. Ten eerste, er kunnen overledenen zijn bij wie de arts op basis van het klinisch beeld COVID-19 aangaf als doodsoorzaak, zonder dat dit door een laboratoriumtest is bevestigd. Die overledenen ontbreken dan in de RIVM-cijfers. Ten tweede, overledenen bij wie COVID-19 was vastgesteld (ook met een positieve laboratoriumtest) zijn mogelijk niet (direct) gemeld bij de GGD (ook omdat er geen meldingsplicht geldt voor overlijden aan COVID-19), daardoor ontbreken deze in de cijfers van het RIVM. De gemelde COVID-19-sterfte in RIVM-rapportages over eerdere periodes kan nog regelmatig veranderen door nagekomen meldingen. Het CBS actualiseert de cijfers over doodsoorzaken als de nog ontbrekende verklaringen ook verwerkt zijn.