Sterfte in week 23 gedaald

In week 23 (7 tot en met 13 juni) overleden in ons land naar schatting iets meer dan 2.800 mensen. 

Dat zijn ongeveer 50 sterfgevallen meer dan verwacht voor deze periode en bijna 200 minder dan in de week ervoor (2.990).

In de leeftijdsgroep 65 tot 80 jaar was net als de week ervoor oversterfte. Dat meldt het CBS op basis van de voorlopige sterftecijfers per week.

Van half september (week 39) tot en met half februari (week 6) was de wekelijkse sterfte hoger dan verwacht. Tot half januari (week 3) was er oversterfte.

In de weken erna was er geen oversterfte en schommelde de sterfte rond de verwachte aantallen voor die periode. In de laatste week van april (week 17) was er kort sprake van oversterfte, maar daarna nam de sterfte verder af.

In de eerste week van juni (week 22) was er opnieuw oversterfte.

Het RIVM registreerde 17 overleden COVID-19-patiënten in week 23 (stand 15 juni).

Sterfte bij Wlz-zorggebruikers en overige bevolking afgenomen

De sterfte bij mensen, die zorg ontvingen in het kader van de Wet langdurige zorg, nam op basis van de schatting af in week 23. Sinds de laatste week van februari (week 8) lag de sterfte in deze groep steeds onder de verwachte sterfte. In week 22 lag de sterfte boven verwacht. In week 23 ligt de sterfte weer onder verwacht.  Er overleden in week 23 ruim 950 Wlz-zorggebruikers, zoals bewoners van verpleeghuizen en gehandicaptenzorginstellingen. In de overige bevolking overleden ongeveer 1.850 mensen.

Sterfte in alle leeftijdsgroepen afgenomen

De sterfte nam in week 23 af in alle leeftijdsgroepen. De sterfte onder mensen van 80 jaar en ouder is lager dan de verwachte sterfte in week 23. Er overleden naar schatting iets meer dan 1.500 mensen van 80 jaar of ouder. Sinds de tweede week van februari (week 6) lag de sterfte in deze leeftijdsgroep onder de verwachte sterfte. In week 16 en 17 was de sterfte ongeveer gelijk aan de verwachting en in week 22 lag de sterfte boven de verwachting.

De sterfte onder mensen van 65 tot 80 jaar liet vanaf de eerste week van maart (week 9) een stijgende trend zien, in de laatste week van april (week 17) begon een daling. Van eind maart (week 13) tot en met week 20 was er oversterfte in deze leeftijdsgroep. In week 21 lag de sterfte op verwacht niveau, maar in week 22 was er opnieuw oversterfte. Ook in week 23 is er oversterfte. Er overleden ruim 900 mensen van 65 tot 80 jaar in die week.

Onder mensen jonger dan 65 jaar was er tussen begin april (week 14) en begin mei (week 18) oversterfte, daarna daalde de sterfte. In week 22 was er opnieuw oversterfte, maar in week 23 is de sterfte op basis van de schatting gedaald. Er overleden iets minder dan 400 mensen jonger dan 65 jaar.

Sterfte aan COVID-19 tot en met februari bekend

De cijfers over de (over)sterfte zijn gebaseerd op de dagelijkse berichten over het aantal overledenen die het CBS dagelijks ontvangt. Deze berichten bevatten geen informatie over de doodsoorzaak. Die informatie ontvangt het CBS later via een doodsoorzakenverklaring.

Voor alle overledenen tot en met februari 2021 is de doodsoorzaak bekend. Volgens deze cijfers overleden 27.056 mensen aan COVID-19 van maart 2020 tot en met februari 2021, zoals het CBS op 3 juni publiceerde.

De oversterfte in de eerste coronagolf en de eerste negentien weken van de tweede golf wordt volledig veroorzaakt door sterfte aan het nieuwe coronavirus.

Het RIVM heeft tot nu toe 17.714 overleden COVID-19-patiënten geregistreerd, waarvan 15.820 tot en met februari 2021 (stand 15 juni).

Het RIVM ontvangt dagelijks meldingen van overleden COVID-19-patiënten vanuit de GGD’s. Omdat mogelijk niet alle mensen met COVID-19 zich laten testen, er geen meldingsplicht geldt voor overlijden aan COVID-19 en de registratie soms wat langer duurt, zijn de werkelijke aantallen overleden COVID-19 patiënten in Nederland hoger.


Trefwoorden: